
In februari 1970 ging naar de Radboud in Nijmegen, de verpleging in. Ik kreeg een ienie-mini kamertje in een verpleegstersflat op het terrein van de Radboud. De eerste vier maanden kreeg je theorie. We werden ook ontgroend, om de teamgeest van de groep te versterken. Zo kregen we de opdracht om de stad in te gaan en mensen te vragen wat ze vonden van het ‘epibreren’ in Nijmegen. We moesten een grote witte zakdoek met vier knopen op ons hoofd dragen als een soort rare muts en half laken als sjaal om onze nek.
Het woord epibreren werd in 1954 populair gemaakt door Simon Carmiggelt. Het lijkt heel deftig, maar betekent eigenlijk niets, Carmiggelt zei in een interview dat hij het woord niet zelf verzonnen had, maar het had gehoord van een ambtenaar die hem wegzond omdat een stuk waarop Carmiggelt zat te wachten, nog “geëpibreerd” moest worden.
Daar stonden we dan met een groepje jonge meiden, getooid met een witte zakdoek op onze bolus. Pen en papier in de aanslag om te noteren wat mensen zeiden. Toch voelde ik me geen moment ongemakkeljk, integendeel; het was echt leuk! Bijna niemand durfde te zeggen dat hij het woord niet kende. Sommoge mensen zeiden zelfs dat je ‘wel fijn kon epibreren’ in Nijmegen. Of dat de ‘epibratie’heel goed was. Een enkeling antwoordde dat hij het woord niet kende. De antwoorden heb ik helaas niet bewaard, dat had ik dan maar beter moeten epibreren ….