Herman van Veen

Wat er van de handdoek overbleef

Oh, wie gaat er zo laat
nog door nacht en wind?
Het is de washand.
Hij zag het niet meer zitten
en sloop voorzichtig uit de kast.

Hij baalde van de oksels en de bullen.
Met ruggen had hij niet veel last,
maar nekken daarentegen,
daar knapte hij op af.
Wat daar zowel vanaf kwam,
was niet meer normaal.

Ach, er was natuurlijk wel eens
een heel fris meisjeslijf,
dat fleurde hem reuzachtig op,
Maar meestal was zo ’n wezen
niet erg lang alleen.
Want dan kwamen de vieze rikken,
met de ongewassen pikken.
Mijn god,
dat is toch voor een washand niet meer te doen.

Er glijdt een washand door de nacht,
hij is heel erg versleten.
Hij kan nog net een kuiltje graven,
en in het schijnsel van de maan
hoor ik hem zachtjes zeggen…
Ik was…
Ik was het liefste, baby’s.

Toen is hij dood gegaan.

Scroll naar boven