
Mijn moeder wilde ons graag geven wat zijzelf niet had gehad toen ze jong was. Zij groeide op in de oorlog en was de oudste van 9 kinderen. Er was geen geld en geen tijd voor leuke dingen als sport of dansen. Ze stimuleerde ons om op sport te gaan, muziekles te nemen en naar dansles te gaan. Er was toen weliswaar niet veel geld, maar ze vond dat sport, muziek en cultuur bij de opvoeding hoorden. Toen ik 8 jaar was, ging ik bij de padvinderij, bij de kabouters om precies te zijn. Ik kreeg een bruine jurk met een stoere riem, een wollen muts en bruine wollen kniekousen met een geel randje. De padvinderij was veel stoerder want dan kreeg je een blauw uniform, maar ja, je moest onderaan beginnen, bij de kabouters dus.
In mijn klas waren een paar meisjes die briefjes toegestopt kregen van jongens. Via die opgevouwen of verfrommelde briefjes werd gevraagd of ze verkering wilden. De meisjes lieten de briefjes in het speelkwartier trots en giechelend zien. Ik kreeg nooit zo’n briefje waar ik dan ook mee werd gepest. Ik was lang en mager en had ook nog een soort eczeem op mijn handen. Daarbij was ik dan ook nog protestant.
Op een gegeven moment knutselde ik zelf een liefdebriefje in elkaar. Ik schreef met een verwrongen handschrift iets van: “Ik zie jou vaak op woensdagmiddag fietsen in je kabouter uniform. Ik vind je leuk, wil je met mij gaan?” Ik zette er vervolgens een verzonnen naam onder, want ik kon natuurlijk niet een jongen uit de klas nemen. De verzonnen aanbidder woonde zogenaamd ergens op de route van mijn huis naar de padvinderij.
Ik liet het briefje trots zien aan de meisjes op school. Ik vertelde dat een jongen mij op straat aanhield, mij een briefje gaf en toen snel wegliep. Tot mijn teleurstelling werd er wat ongelovig op gereageerd. Ik moest dan maar vertellen wie die jongen was. Als ik er nu aan terugdenk, vind ik het toch wel heel zielig!