Blogs

Oterdum

Het dorp Oterdum, ooit gelegen aan de dijk tussen Delfzijl en Termunten, is volledig van de kaart geveegd, afgebroken in de jaren 70 om plaats te maken voor industrie en voor een verbreding van de zeedijk van de Eemsmonding.. Industrie die er tot op heden nog niet gekomen is. Het enige wat is gebleven is het kerkhof. Het kerkje moest verdwijnen toen eind jaren 60 de dijk op Delta-hoogte werd gebracht. Het Openluchtmuseum Arnhem had we; interesse, maar desondanks werd de kerk gesloopt. Witte palen op de dijk laten nog zien waar het kerkje ooit stond. De grafzerken zijn opnieuw geplaatst, zo’n 2 meter boven het oorspronkelijke kerkhof.

Oterdum was pittoresk gelegen aan de zeedijk, door sommigen werd het wel het Venetië van het noorden genoemd. De bewoners bestonden uit scheepslui, mensen die op het land werkten een paar winkeliers en burgers. Het was ooit een levendig dorpje van zo’n 160 inwoners. De gemeenteraad, de provincie en het rijk stemden eind jaren 60 in met de onteigening van Oterdum en buurdorp Heveskes. De inwoners lazen het eindoordeel in het Nieuwsblad van het Noorden of via een brief die een taxatie van hun huis aankondigde. De bedoeling was dat het industriegebied Oosterhorn tot hier zou doorlopen maar tot op heden ligt het terrein nog steeds braak. De gemeente Delfzijl bouwde jaren lang aan de chemische industrie die het havenstadje het ‘Rotterdam van het noorden’ moest maken. De ruim zevenhonderd dorpelingen van Oterdum, Heveskes en Weiwerd raakten aan die ambities hun huis kwijt.

Vertegenwoordigers van het havenschap liepen door het dorp met een zak geld en ‘vroegen’ de inwoners om te verhuizen. Aan inwoners werd verteld dat als ze niet verhuisden, ze later waarschijnlijk niets meer voor hun huis zouden krijgen. De dorpelingen vertrokken een voor een, protest was er nauwelijks.

Oterdum Meer lezen »

Blogs

Eigen belang

In de jaren 70 werkte ik als maatschappelijk werkster in een verpleeghuis. Er waren drie afdelingen voor somatische en twee voor psychogeriatrische patienten. De mensen op de somatische afdelingen verbleven er soms een paar weken om te revalideren, soms langer of permanent. Op de psychogeriatrische afdelingen, die gelsoten waren, bleven de bewoners permanent. Privacy was er niet of nauwelijks in het verpleeghuis.

Op een dag zat een van de bewoners, ik noem haar voor het gemak mevrouw S, in elkaar gedoken in haar rolstoel op de gang bij de lift. Toen ik haar vroeg hoe het met haar ging, vertelde ze dat ze vreselijke hoofdpijn had. Ze zag ook echt grijs van de hoofdpijn. Overal was lawaai, daarom was ze weg gekropen in een van de weinige rustige plekjes die er waren in het verpleeghuis.
Even later kwam ik haar behandelend arts, dokter B, tegen in het kantoor van de medisch secretaresse. Dokter B. was een dame van adel. Ze liet regelmatig semi nonchalant vallen dat ze bij Juliana op de thee was geweest in Soestdijk.

Ik vertelde dokter B. dat ik mevrouw S. net had gesproken, dat ze zo’n pijn had en of er niets te doen was aan de migraine. Tot mijn verbazing werd ze witheet, waar ik me mee bemoeide! Ik probeerde haar duidelijk te maken dat dat mijn werk was, me bekommeren om het welzijn van de bewoners. Ze beende driftig het kantoor uit.

Even later werd ik op het matje geroepen bij de directeur. Hij wilde mijn versie van het verhaal weten. Dokter B. stond met haar armen over elkaar toe te kijken met zo’n blik van: ik sta ver boven jou! Ik vertelde rustig wat er was gebeurd en dat ik als maatschappelijk werker me bekommer om het welzijn van de bewoners en dat ik te doen had met mevrouw S. Dokter B. vond dat ik dit niet kon bespreken bij een secretaresse, Dat zij als arts zich tegenover mij moest verantwoorden in het bijzijn van een secretaresse. Haar status was voor haar dus belangrijker dan het welzijn van de patient.

Ze eiste excuses. Ik zei dat ik die niet wilde geven. Uiteindelijk brieste dokter B. woedend: of zij eruit of ik eruit! Het liep hoog op, uiteindelijk is dokter B. weggegaan.

Er wordt vaak alleen maar in eigen belang gedacht . Dat zie je helaas ook veel in de politiek. Er zijn maar wenig politici die denken aan waar ze voor horen te staan: het Nederlandse volk. Het scoren is vaak veel belangrijker.

Eigen belang Meer lezen »

Blogs

Davos 2026

Trump zei in Davos dat de oorlog in Gaza ten einde loopt. Ondertussen doet het IDF nog steeds aanvallen in Gaza. Onlangs nog werden 11 Palestijnen gedood, waaronder twee kinderen en drie journalisten. De zogenaamde vredesplannen van Trump hebben een sterk imperialistisch geurtje. Zijn schoonzoon, Jared Kushner, presenteerde een plan, zogenaamd om hun industriële zones te beheren en een exclusieve kustlijn voor toerisme te creëren. Bij de plannen zijn geen Palestijnen betrokken. Israel en de VS beslissen over een land en een volk zonder rekening hen erbij te betrekken. Doet me denken aan de vredesonderhandelingen over de Oekraine. Een beetje het idee van een patient op de behandelbank terwijl over zijn hoofd zijn prognose wordt besproken.

Op de lijken van duizenden Palestijnen wordt een soort Dubai gecreeerd, een speeltje van de Trumps. En de Palestijnen? Die kunnen dan bedelen op het strand.

Davos 2026 Meer lezen »

Blogs

Blijvende herinnering

Mijn moeder was gek op bloemen en planten, ze kende ook bijna alle namen van bloemen en planten. Vroeger hadden we een bloemenwinkel, daar was ze dan ook helemaal in haar element. Hoewel mijn vader de officiele papieren had voor bloemsierkunst, had zij er veel meer gevoel voor. 

Het huis stond altijd vol met planten en alles deed het goed. Ook de tuin was een plaatje. Mijn vader vond het veel te wild, hij hield meer van mooie rechte rijen planten, maar mijn moeder hield van een lekkere wilde tuin. Ze had, zoals ze zeggen, ‘groene vingers’. Ik heb ze ook een beetje van haar geërfd, maar misschien zijn ze bij haar vergeleken wat fletser groen. 

Ik kreeg vaak allerlei stekjes van haar. Eén stekje was uitgegroeid tot een prachtige sansevieria, inmiddels zo’n slordige 40 jaar oud. Tot mijn schrik stortte de plant na een van mijn vele verhuizingen volledig in. De bladen hingen troosteloos en slap naar beneden. Met een groen vingertje heb ik er gelukkig nog een stekje uit kunnen halen. Inmiddels heb ik twee prachtige sansevieria’s. 

Wat ik vooral zo leuk vind, is dat ik na al die tijd toch nog een levende herinnering aan mijn moeder heb.

Blijvende herinnering Meer lezen »

Blogs

De rijke bramenplukker

De rijke bramenplukker, een sprookje van Godfried Bomans met een belangrijke boodschap.
Vele jaren geleden leefde er in een groot bos een oude bramenplukker. Zijn vader en moeder lagen al een halve eeuw aan de voet van een beuk begraven, doch dat was de bramenplukker reeds lang vergeten; hij wist niet eens wat het scheefgezakte kruis eigenlijk beduidde doch achtte het raadzaam, wanneer hij er ’s nacht langs moest, een omweg te maken. Verder woonde er niemand in het bos en daarom dacht de bramenplukker dat hij alleen op de wereld was. Deze gedachte deed echter zijn opgewektheid geen schade. Hij zong luidkeels de vrolijkste liederen, zonder ophouden, behalve ’s nachts, want dan moest hij slapen – dat is een goede verontschuldiging. Maar verder, verder was er geen vrolijker mens denkbaar. “Zie,” placht hij ’s morgens te zeggen, “die zilveren parels op de bloemen! Voor wie anders liggen al die diamanten over het gras gestrooid dan voor mij? Wat ben ik rijk!” En als hij door het woud liep, zuchtte hij: “Wat een hoge gewelven, wat een ruime portalen, wat een prachtige zuilen! En dat alles voor één man!”

’s Middags lag hij op zijn rug naar de wolken te kijken, die de wonderlijkste figuren voor hem maakten. “Zie,” sprak hij dan, “een beer! En daar een winterlandschap! Wie heeft er zo’n zoldering? Ik word er verlegen van!” Maar ’s avonds was de bramenplukker het vrolijkst. Dan ging hij onder de laurierboom zitten voor zijn huisje en wachtte gespannen. En plotseling, als de zon voor het laatst haar purperen stralen over de heuvels wierp, begon ver in het woud een fijne hoge stem te jubelen, zo verrukkelijk schoon en toch zo eindeloos weemoedig dat de bramenplukker de tranen in de ogen schoten. “Heerlijk, prachtig!” riep hij dan ten leste uit, “dank, dank, onbekende zanger! Wat een muziek! Wat een geluid! Hoe jammer dat ik alleen op de wereld ben!”

Doch dat was hij niet; op een avond trok een ontdekkingsreiziger door het woud, duwde de kleine wankele deur open en stond glimlachend voor de bramenplukker. “Vriend,” sprak hij, “wat eten en een bed, dat is al. Want ik heb honger en slaap. Versta je me?” Doch de bramenplukker zat doodsbleek op zijn stoel en zweeg. “Komaan,” hernam de reiziger, “hier is een goudstuk. Dat maakt de tong wat losser.” Nu rees de bramenplukker op. “Wezen,” sprak hij moeilijk, “ik heb uw goud niet nodig. Daarom zweeg ik niet. Doch mag ik u eens betasten?” – “Ga je gang,” sprak de reiziger, die een vrolijk man was. En de bramenplukker betastte de reiziger; hij kneep hem in de neus, draaide zijn hoofd naar alle kanten, keek aandachtig in de mond en riep ten slotte: “Precies als ik! Precies als ik! Alles hetzelfde!” en hij omhelsde hem.

“Wat ben jij een onnozelaar,” lachte de reiziger, zich losmakend, “heb je nog nooit een mens gezien?” – “Ik ben niet alleen!” riep de bramenplukker, in de handen klappend, “ik ben niet alleen! Precies zulke benen!” en hij danste rond de tafel. “Kom,” hernam de reiziger, “ik heb honger. Bedwing je een beetje.” En hij zette zich aan tafel, nam een bord uit zijn ransel en zette dit met een veelbetekenende klap voor zich neer. “Welnu,” zei hij, “laat eens wat zien.” – “Ja, ja!” riep de bramenplukker, “precies als ik! Juist hetzelfde!” En hij danste naar de provisiekast, haalde brood, worst en ontbijtkoek, en danste met dit alles om de tafel heen, wel driemaal. Toen ging hij zitten, haalde diep adem en zei: “Bedien u.” De reiziger at zwijgend. Bij elke hap die hij deed, riep de bramenplukker verrukt: “Precies als ik!” Dat was in het begin wat hinderlijk, doch de reiziger had honger en at glimlachend door. Tenslotte hief hij het hoofd op; zijn oog viel op het goudstuk, zoals het daar lag, op de rand van de tafel.

“Vriend,” sprak hij, “waarom wilde je dat goudstuk niet van mij aannemen?” – “Ik heb het niet nodig,” antwoordde de bramenplukker eenvoudig, “ik heb diamanten.” – “Diamanten?” herhaalde de reiziger, “heb jij diamanten? Hoeveel?” – “Precies weet ik het niet,” sprak de bramenplukker peinzend, “een paar grasvelden vol” – “Zeg het nog eens.” – “Een paar grasvelden vol,” herhaalde de bramenplukker. Ditmaal was het de reiziger, die doodsbleek op zijn stoel zat. “Man,” riep hij tenslotte, “je bent schatrijk!” – “Dat zei ik toch al,” sprak de bramenplukker, “maar dat is niet alles. Ik heb nog wel andere dingen.” – “Noem nog eens wat, kameraad.” – “Ja,” hernam de bramenplukker verlegen, “er is zo veel. Daar zijn bijvoorbeeld de spiegels.” – “Spiegels?” vroeg de reiziger gejaagd. “Ja,” vervolgde de bramenplukker op dezelfde achteloze toon, “een paar duizend, ik heb ze nooit geteld. Sommige zijn zo groot dat je een dag nodig hebt om er omheen te lopen. Ach ja.”

“Een dag nodig om er … Vriend, waar liggen al die schatten?” – “In mijn huis.” “Dat moet een paleis zijn!” stamelde de reiziger. “Het is ook een paleis,” antwoordde de bramenplukker glimlachend, “ik heb het zelfs nooit helemaal bekeken, daarvoor is het te groot. Er zijn zuilengangen bij waarvan men het eind niet zien kan; duizenden slanke kolommen dragen het gewelf. Dat is een lust om te zien! Doch af en toe ontmoet men wijde, nog hogere portalen; het gewelf is daar niet groen, doch lichtblauw met witte vlekken.”

“Mozaïek dus?” vroeg de reiziger ademloos. “Ik weet niet wat u bedoelt,” sprak de bramenplukker. De reiziger legde het moeilijke woord uit. “O, nee!” hernam de bramenplukker lachend, “dat is slechts kinderspel! Dat zou mij op den duur vervelen: altijd hetzelfde te bekijken. Nee, hier bewegen zich de figuren, zij trekken langzaam en statig voorbij, ja, zij vervormen zich tot de wonderlijkste gedaanten: ijsberen, winterlandschappen, en kabouters met baarden. Zelfs de kleuren veranderen: dan is het diepblauw, dan lichtgrijs, soms beide. Het is heerlijk om te zien; men wordt er nooit moede van!”

“Dat is ongelofelijk!” riep de reiziger, “ongelofelijk! En dat alles voor één man. Maar, maar je moet je toch wel eens eenzaam gevoelen tussen al die zuilen, galerijen en spiegels?” “O nee!” sprak de bramenplukker, “er is muziek genoeg, van alle kanten en de hele dag door.” – “Muziek?” riep de reiziger, “muziek? Kom, bramenplukker, nu maak je me wat wijs.” – “Nee, wezenlijk niet,” verzekerde de bramenplukker, “de hele dag door en telkens nieuwe liederen. Maar ’s avonds worden de solo’s gezongen. Daar heb ik een aparte zanger voor. U moet morgenavond eens luisteren. U blijft toch vannacht hier slapen?”

“Nee,” antwoordde de reiziger, zijn jas aantrekkend, “ik ga onmiddellijk door. Ik ben ontdekkingsreiziger. Dit is mijn grootste ontdekking. Ik ga het iedereen vertellen.” “Dat moet u doen,” sprak de bramenplukker, “ik heb mij al lang bezwaard gevoeld er zo heel alleen van te genieten. Maar blijf toch één nachtje! Dan zal ik u morgen alles zelf laten zien en kunt u het nog veel beter vertellen.”

“Nee,” sprak de reiziger, “tijd is geld! Ik ga onmiddellijk door. Bedankt voor de ontbijtkoek. Adieu.” Hij trok de deur achter zich toe en verdween in de nacht. De bramenplukker snelde naar buiten, doch hij zag niets. “Wat jammer,” mompelde hij, “tijd is geld! En hij had zoveel parels mogen hebben als een mens kan dragen. Reiziger, reiziger! Kom terug!” Doch de reiziger hoorde hem niet; hij sprong over sloten en heggen, zwom twee rivieren over, trok een donker woud door en was in de stad.

“Burgemeester,” zei hij, “ik heb iets belangrijks te zeggen.” – “Wel,” sprak de burgemeester, “dat is prettig. Ga maar op het stadhuis staan.” En de reiziger ging op het stadhuis staan. “Mensen!” riep hij, “willen jullie graag parels hebben?” – “Ja zeker!” riepen de mensen. “En voelt er iemand wat voor spiegels, zo groot als dit marktplein?” – “Ja zeker,” riepen de mensen, “geef ze maar hier!” – “En is er hier soms iemand die graag in een paleis wil wonen met groene zuilengangen en plafonds van beweegbaar mozaïek?” – “Dat willen we best!” riepen de mensen, “waar staat het?” – “Komt maar mee!” riep de ontdekkingsreiziger, “loop maar precies achter me aan! We hebben geen tijd te verliezen!”

En zij trokken een donker woud door, zwommen twee rivieren over, sprongen over sloten en heggen, en waren bij de bramenplukker. “Bramenplukker!” riep de reiziger, “hier zijn we!” – “Wat aardig!” riep de bramenplukker, “u laat er geen gras over groeien, dat moet ik zeggen. Hemeltje lief, wat hebt u daar een mensen bij u! Het zijn er wel een paar duizend! Wat gaat u daarmee beginnen?” – “Wij komen de parels halen,” sprak de burgemeester, naar voren tredend, “en wij gaan in het paleis wonen waar de zoldering van beweegbaar mozaïek is en de zuilen van groen smaragd. Wij komen luisteren naar de muziek en de spiegels moeten we ook hebben.” – “Wel, dat is heerlijk!” riep de bramenplukker, hem omhelzend, “ik ben zo blij dat jullie het ook waarderen! Dat jullie inzien hoe mooi dat alles is! Welkom, welkom! Ontbijtkoek heb ik niet zoveel, maar wel goed brood en fris water.”

“Wij moeten geen ontbijtkoek,” sprak de burgemeester langzaam, “wij moeten parels.” – “Die krijgen jullie!” riep de bramenplukker, “zoveel als je dragen kunt. Wacht tot morgen!” – “Kan het niet vanavond?” vroeg de burgemeester bezorgd, “tijd is geld!” – “Nee,” hernam de bramenplukker hoofdschuddend, “nu is het donker. En in het donker ziet men de parels niet. Maar morgenochtend vroeg zult u eens wat zien! Gaan jullie nu wat slapen, we hebben alle tijd.” – “Goed,” sprak de burgemeester, “slapen, mannen! We hebben alle tijd!”

De volgende morgen lagen de velden glinsterend en flikkerend onder de rode hemel; aan elke grashalm, ook de kleinste, hingen prachtige, zilveren diamanten, en toen de zon opging, veranderden deze in topazen, smaragden en blauwe saffieren, stralend van licht, flonkerend van zuiverheid, schitterender dan aardse juwelen. En daartussen stonden de mensen en spraken over de parels die nu weldra gevonden zouden worden, hele grasvelden vol. Werd nu de bramenplukker maar wakker; zij hielden de ogen strak gevestigd op de kleine deur.

Eindelijk ging zij open; de bramenplukker trad naar buiten en schouwde zwijgend over de velden; zijn ogen stonden vol tranen. “Jullie treffen het wel,” sprak hij zachtjes. “Wat zegt ie?” mompelde de burgemeester. “Ik zeg: jullie treffen het wel,” hernam de bramenplukker glimlachend, “zoveel parels liggen er anders nooit.” – “Ik zie geen parels,” sprak de burgemeester. “Zien jullie geen parels?” vroeg de bramenplukker verbaasd. “Wij zien niets,” riepen de mensen, “wij zien helemaal niets.”

De bramenplukker sloeg de handen in elkaar. “Wat hebben jullie slechte ogen!” riep hij uit, “kijk om je heen! Zie je het niet?” – “Dat is dauw,” sprak de burgemeester boos. “Dat… dat wist ik niet,” stamelde de bramenplukker, “ik dacht…” – “Waar zijn de zuilengangen?” vroeg de burgemeester kort. “Daar,” fluisterde de bramenplukker. “Dat zijn bomen,” antwoordde de burgemeester, waar is het mozaïek?” – “Daar,” sprak de bramenplukker. De burgemeester hief de ogen naar de purperen hemel. “Dat is lucht,” zei hij, “gewoon lucht Waar zijn de spiegels?” De bramenplukker wees zwijgend in de verte. “Dat zijn vijvers,” sprak de burgemeester. “Waar is de muziek?” De bramenplukker stak de wijsvinger op; de burgemeester luisterde. Toen richtte hij zich op en sprak met een bittere glimlach: “Dat is een nachtegaal, onnozele! Een simpele nachtegaal! Wij zijn bedrogen.” – “Wij zijn bedrogen” schreeuwden de mensen, “wij zijn bedrogen!” – “Maar ik heb toch precies verteld zoals het is!” riep de bramenplukker, “ik heb toch precies…” – “Hang hem op!” riepen de mensen, “hang hem toch op!”

En toen ’s avonds de nachtegaal zijn trillend lied begon, was er niemand om te luisteren. Want de bramenplukker hing juist een tak lager, dood.

Uit Sprookjes van Godfried Bomans.

De rijke bramenplukker Meer lezen »

Blogs
Scroll naar boven