Jan Mankes

Jan Mankes werd op 15 augustus 1889 geboren in Meppel, als zoon van belastingambtenaar Beint Mankes en Jentje Hartsuiker. In 1902 ging hij naar de HBS in Meppel. Toen het gezin twee jaar later naar Delft verhuisde trad hij als leerling in dienst bij het glazenieratelier van J.L. Schouten. Tegelijkertijd volgde hij een avondopleiding aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. Als jongen liep hij naar verluidt elke zondag van zijn ouderlijk huis in Delft naar Den Haag om in het Mauritshuis Holbein, Vermeer en Vlaamse primitieven te bekijken. Hij begon zelf met het schilderen van vogels en nesten in de duinen van Den Haag en omgeving.

In 1908 kiest hij voor het vrije kunstenaarschap en hij trekt zich tussen 1909 en 1915 terug bij zijn ouders op het Friese platteland in Het Meer, een buurtschap tussen Heerenveen en de dorpjes Benedenknijpe en Bovenknijpe. Hier ontwikkelt hij zijn liefde voor de natuur en ontstaan veel van zijn beste werken: kleine, fijn geschilderde landschapjes, schilderijen met mensen, dieren en bloemen. Dieren tekent hij net zo vaak ‘tot hij ze vanbinnen kon dromen’. Tot zijn topstukken behoort het schilderij van de Woudsterweg. Langs deze weg, tegenover het huis van zijn ouders, liep hij dagelijks naar Oranjewoud.

In 1913 leert hij Anne Zernike kennen, een theologe en de eerste vrouwelijke predikant van Nederland in Bovenknijpe. Beiden hebben een kerkelijke achtergrond, literaire belangstelling en een haast religieuze natuurbeleving. Zij trouwen in 1915 en wonen korte tijd in Den Haag. In september 1916 verhuizen ze naar Eerbeek in de veronderstelling dat de bosrijke omgeving goed zou zijn voor Mankes, die aan tuberculose lijdt. In 1918 wordt hun zoon Beint geboren, vernoemd naar Jans vader. Als de ernstig zieke Mankes niet op bed ligt werkt hij onafgebroken aan zijn oeuvre, waarvan hij zelf zegt: “Ik probeerde mooie dingen te maken in allen eenvoud.” Zijn werk kenmerkt zich door een grote soberheid en verstilling. Het is dromerig, vaag symbolistisch en vooral kwetsbaar.

Ongeveer een derde van zijn totale oeuvre is in Eerbeek gemaakt; zachte portretten van zijn echtgenote, stillevens, schilderijen van dieren, tekeningen en grafiek. Mankes was geïnteresseerd in alle dieren, hoewel hij een voorliefde had voor vogels. Zijn schilderijen stralen een etherische, soms wat trieste sfeer uit. Zijn stijl is direct herkenbaar door zijn krachtige en evenwichtige composities met vele kleine kleurnuances van grijs- en bruintinten en okers in dunne, transparante lagen, waarbij hij weinig verf en veel olie gebruikt. De techniek van het glasschilderen zal hem daarbij goed van pas zijn gekomen. In deze periode woonde hij ook vijf maanden in pension Carpe Diem in Nunspeet.

Als hij nog maar 30 jaar oud is, overlijdt hij in 1920 aan tuberculose en Spaanse griep.. Hij laat een oeuvre na van zo’n honderdvijftig vooral kleine schilderijen, een honderdtal tekeningen en zo’n vijftig prenten. Dichter Richard Roland Holst noemde Mankes Hollands meest verstilde schilder.

Scroll naar boven