In de jaren ’70 werkte ik als leerling verpleegkundige in het Radboud ziekenhuis. Het was een katholiek ziekenhuis, dus kwam er ook een pater om de patienten de communie uit te reiken. Dat ritueel bood geestelijke steun en verbondenheid met de kerk tijdens een ziekbed. ’s Middags werden de patienten getemperatuurd en werd hen eveneens gevraagd of ze die dag ontlasting hadden gehad. Tot slot vroegen we aan de patienten of ze behoefte hadden aan de heilige communie later op de dag. Als ze dat inderdaad wilden, werd een groot wit damasten servet aan het voeteneinde van het bed gehangen. Al deze gegevens werden vervolgens ouderwets met pen of potlood in een schriftje gezet, waarin 4 kolommen waren getekend: 1 voor de temperatuur, 1 voor de pols, 1 wel of geen ontlasting en 1 voor de heilige communie.
Maar ja, soms heb ik last van ‘kortsluiting’ in mijn hersenen. De celletjes worden dan ineesn verkeerd verbonden. Of zoiets. Hoe dan ook, ik heb de kolommen ontlasting en heilige communie door elkaar gehaald. Zo kreeg iedereen die ontlasting had gehad een wit servet aan het voeteneind.
Als de pater de afdeling op kwam, rinkelde hij met een tafelbelletje. Er ging dan een verpleegster naar hem toe om hem te begeleiden naar de patienten die de communie wilden. Ik had de eer die bewuste dag, maar ik was me nog van geen kwaad bewust. We liepen naar een zaal en de pater ging naar een bed met servet. De patient keek vreemd op. Hij wilde helemaal geen pater aan zijn bed, wat hij op duidelijke toon te kennen gaf. Aan de overkant gebaarde iemand dat hij wel communie wilde. Ik rook toen al lont. In de volgende zaal werd mijn vrees bewaarheid. Servetten bij bedden van mensen die hadden gepoept maar geen pater wilden. En omgekeerd. Het werd een zooitje! De pater was gelukkig een vrolijke aardige man, maar de hoofdzuster was er niet blij mee. Voor mij kwam dit soort dingen vaak neer op keukendienst of po’s schoon maken..