
We hebben drie hondjes gehad, alledrie jack russels, maar ook alledrie totaal anders. Wiebe, ons tweede hondje was een kortharig laagpotig jack russeltje. Als pup was het net een speelgoedhondje. We konden dan ook nergens lopen of zitten of er stormden meteen kinderen op hem af. Sommigen vroegen eerst netjes of ze hem mochten aaien maar er waren ook van die ongeleide projectielen die er meteen bovenop doken en zelfs probeerden hem op te pakken. Toen hij wat groter werd gingen zijn oortjes prachtig gevouwen in de ‘biefstukstand’ (een mooi pose aannemen om een stukje vlees, liefst biefstuk te bemachtigen) staan. Dat duurde een paar maande tot ineens, floep, floep, ze allebei kaars rechtop gingen staan. Dat zag er echt niet uit! Wiebe was een vrij klein hondje en in open geklapte stand waren zijn oortjes behoorlijk groot. Het was net een vleermuisje.

In die tijd werden helaas de staartjes afgeknipt van de jack russels. Dat gebeurde als ze 3 dagen oud waren, dat voelden ze amper, werd ons verteld. Gelukkig is het nu verboden. Als je voor Wiebe stond en hij kwispelde, wat hij veel en vaak deed, dan zag je zijn staartstompje enthousiast heen en weer zwiepen tussen die enorme oren. Het was behalve heel ontroerend ook heel typerend voor hem. Ik maakte er een tekening met het gedichtje erbij en liet er kaarten van maken voor in onze winkel. Overigens is het gedichtje niet van Toon Hermans en ook niet van Godfried Bomans of Michel van der Plas, maar een vertaling van het Duitstalige gedicht van de Oostenrijkse schrijver Friedrich Torberg (1908-1979): ich möchte gern zwei kleine Hunde sein und miteinander spielen …